Steunpunt Archeologie en Monumenten Utrecht

Wetgeving


Erfgoedwet


Sinds 1 juli 2016 is er de nieuwe Erfgoedwet. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. 

Een gedeelte van de Monumentenwet 1988 is daarmee opgegaan in de Erfgoedwet. Een ander deel zal te zijner tijd opgaan in de Omgevingswet, maar bevindt zich nu nog in het overgangsrecht. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet, de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die later naar de Omgevingswet gaan blijven van kracht tot die wet in werking treedt.

Veel informatie over de Erfgoedwet is te vinden op de site van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed www.cultureelerfgoed.nl 

Instandhoudingsplicht


Nieuw in de Erfgoedwet is de expliciet genoemde instandhoudingsplicht. In artikel 9.1, eerste lid, onder a van de Erfgoedwet blijft artikel 11 van de Monumentenwet 1988 (verbod op beschadiging of vernieling van rijksmonumenten) nog van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dat artikel is in artikel 10.18 van de Erfgoedwet uitgebreid met de instandhoudingsplicht. Een eigenaar voldoet niet aan de instandhoudingsplicht als hij of zij (het gewijzigde) artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 overtreedt: "Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is".

Dit heeft consequenties voor de taken en het beleid van de gemeente! Voor goed toezicht op en handhaving van deze wettelijke plicht is het noodzakelijk dat gemeenten de juiste kennis in huis hebben ten aanzien van het onderhouden van monumenten. Het veronderstelt ook dat de gemeente inzicht heeft in de staat van de monumenten binnen de gemeente en hier toezicht op houdt. De instandhoudingsplicht biedt de gemeente een handvat om met de eigenaar in gesprek te gaan. Voor een proportionele en succesvolle handhaving is het belangrijk dat de mate van handhaving in verhouding staat tot de overtreding. Het is dus belangrijk dat tijdig het gesprek met de eigenaar wordt aangegaan. Als gesprekken niet het gewenste resultaat hebben dan kan een handhavingstraject in gang worden gezet.

Vanuit de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is een brochure opgesteld over de instandhoudingspicht met daarin een stappenplan preventie van verwaarlozing en handhaving van de instandhoudingsplicht. Zie "Instandhoudingsplicht rijksmonumenten, een handreiking voor gemeenten".

Interieurs


In de nieuwe Erfgoedwet is de mogelijkheid gecreëerd om monumenten en interieurs in hun samenhang aan te wijzen als ensemble, wanneer deze van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is. Het gaat altijd om de relatie tussen de onroerende omgeving en de roerende objecten. De RCE stelt een lijst van toonbeelden op van waardevolle interieurensembles. Daarna kan een rijksmonument tezamen met de roerende cultuurgoederen worden aangewezen als ensemble. Daarvoor richt de RCE een informatiesysteem op dat gekoppeld is aan het monumentenregister. Het opnemen van een interieurensemble in het informatiesysteem heeft geen rechtsgevolgen voor de eigenaar. Er geldt geen wettelijke bescherming voor de roerende zaken. Door de nieuwe wetgeving wordt het belang van waardevolle interieurensembles erkent en wordt er een grotere maatschappelijke bewustwording, waardering en kennis van interieurs gecreëerd, waardoor het behoud wordt gestimuleerd.

Monumentenwet 1988


De Monumentenwet 1988 was het belangrijkste instrument waarin geregeld werd hoe gebouwde monumenten (daaronder begrepen ‘groene’ monumenten) en archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument en moeten worden beschermd. De Monumentenwet 1988 had niet alleen betrekking op de aanwijzing van rijksmonumenten, maar ook op bescherming van stads en dorpsgezichten en op de omgang met archeologische waarden en opgravingen. De Monumentenwet 1988 is komen te vervallen sinds de vaststelling van de nieuwe Erfgoedwet op 1 juli 2016. Een deel van de artikelen uit de Monumentenwet zal te zijner tijd opgaan in de Omgevingswet en bevindt zich daarom nu nog in het overgangsrecht.

Voor de volledige tekst van de Monumentenwet klik hier.

 

Erfgoedverordening


Sinds 2009 is iedere gemeente verplicht om een erfgoedverordening te hebben,  om daarmee ook het bevoegd gezag te kunnen zijn ten aanzien van rijksmonumenten. De erfgoedverordening is de opvolger van de monumentenverordening.

In de gemeentelijke erfgoedverordening staan de regels en voorschriften die betrekking hebben op het culturele erfgoed (monumenten, archeologe en cultuurlandschap). Hierin worden ook de wettelijke taken geregeld van de gemeente met betrekking tot Rijksmonumenten. Ook zijn er regels opgenomen over de aanwijzing van gemeentelijke monumenten en archeologische verwachtingsgebieden en weigeringsgronden voor het afgeven van een omgevingsvergunning.

Voor de laatste versie van de modelerfgoedverordening (2016) van de VNG, klik hier 

Is het verplicht om de erfgoedverordening aan te passen nav het in werking treden van de Erfgoedwet per 1-7-2016? Nee, het is niet verplicht om direct de gemeentelijke erfgoedverordening aan te passen. Dat is pas aan de orde als ook de Omgevingswet wordt ingevoerd en alle zaken uit het overgangsrecht in de Erfgoedwet overgaan van de Monumentenwet naar de Omgevingswet. Als in de toekomst een nieuwe erfgoedverordening wordt opgesteld, dan wordt aangeraden om de Erfgoedwet als grondslag te gebruiken.

 

Handleiding Vergunningvrij. Informatie voor professionals. (uitwerking factsheet RCE)


De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een handleiding samengesteld: "Vergunningvrij. Informatie voor professionals" (een uitwerking van de Factsheet vergunningvrij) Hierin wordt duidelijk gemaakt wat de Algemene Maatregel van Bestuur inhoudt ten aanzien van het vergunningvrij bouwen aan beschermde monumenten. Deze handleiding is bedoeld voor  gemeenteambtenaren Bouw- en Woningtoezicht, Monumentenzorg en Ruimtelijke Ordening en andere professionals zoals architecten. De handleiding is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opgesteld in overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten, Federatie grote monumentengemeenten, Federatie Welstand en alle Steunpunten. 

Klik hier voor de Handleiding "Vergunningvrij. Informatie voor professionals".

 

Wabo, omgevingsvergunning


Sinds 1 oktober 2010 is het vergunningenstelsel voor gebouwde monumenten (geregeld in de monumentenwet) onderdeel geworden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betekent dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning ook tegelijk wordt gekeken naar het monumentale aspect. De gemeenten hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor de monumentenzorg. Het is hun taak om eigenaren en beheerders van monumenten te informeren en te begeleiden bij hun eventuele wens tot wijziging van het monument. In de Wabo zijn de termijnen waarbinnen een gemeente tot een besluit voor het verlenen van een vergunning komt soms zeer kort (voor gemeentelijke monumenten slechts 8 weken, met een mogelijkheid tot éénmalige verlenging van 6 weken). Het houden van vooroverleg, waardoor in een vroeg stadium door alle betrokken partijen afgetast kan worden wat de mogelijkheden zijn en adviezen gegeven kunnen worden, wordt daardoor steeds belangrijker!

Voor meer informatie over de Wabo en de omgevingsvergunning klik hier.

Voor meer informatie over de Wabo en de monumentenzorg, zie verderop op deze pagina

 

Wabo en de gemeentelijke monumentenzorg


Op donderdag 1 april 2010 is een ROMA-bijeenkomst gehouden waarbij door Richard Rodenburg van de gemeente Utrecht een presentatie is gehouden over dit onderwerp. Hierin werden duidelijk de consequenties voor het gemeentelijk erfgoedbeleid op een rijtje gezet. Wil je de presentatie van Richard Rodenburg bekijken klik dan hier.

Vooroverleg van groot belang!
De conclusie is dat door de kortere termijnen voor de vergunningverlening het van groot belang is dat de organisatie van de procedure binnen de gemeente goed verloopt. De monumentencommissie wordt ook gehouden aan de korte termijnen, dus daar zal de vergaderfrequentie en de snelheid van adviseren op moeten worden aangepast. Om te voorkomen dat door de termijnen negatief moet worden besloten op de vergunningaanvraag wordt een groot pleidooi gehouden om het vooroverleg te stimuleren. Dit betreft niet alleen het vooroverleg binnen de gemeente met de aanvrager, maar ook met de adviserende organisaties. Het steunpunt (STAMU) biedt hier al jaren het Bouwplanoverleg voor aan. Maandelijks komen voor het Bouwplanoverleg de RCE, de Provincie, WMMN en zo mogelijk een vertegenwoordiger van de gemeentelijke monumentencommissie bij elkaar en wordt er de gelegenheid geboden om door de aanvrager, de planontwikkelaars en vertegenwoordigers van de gemeente een plan voor te leggen voor vooroverleg, om zo te kunnen aftasten waar nog aan gedacht moet worden en of het plan kans van slagen heeft. De data en de plaats van het Bouwplanoverleg staan vermeld op de website van STAMU onder Agenda.

 

De Wabo en de consequenties voor de gemeentelijk erfgoedverordening


De invoering van de Wabo heeft een direct gevolg voor de gemeentelijke erfgoedverordening: In de Wabo wordt als definitie voor beschermd monument  in artikel 1.1 gegeven: “een beschermd monument is en monument als bedoeld in artikel 1 onder d van de Monumentenwet 1988”. Dit houdt in dat hiermee alleen de rijksmonumenten worden bedoeld. Dus wordt er in de Wabo niet specifiek aandacht besteed aan gemeentelijke monumenten. Deze vallen onder dezelfde regels als alle andere bouwwerken. Hierdoor geldt dus voor gemeentelijke monumenten de reguliere (dus korte) voorbereidingsprocedure. Om zaken rondom aanvragen betreffende gemeentelijke monumenten goed te regelen is een link noodzakelijk tussen de gemeentelijke monumentenverordening en de Wabo. 

De gemeentelijk monumentenverordening dient dus te worden aangepast!
Daarbij is het van belang dat aan de volgende zaken  aandacht wordt besteed:

-       Weigeringsgrond: Er dient een link te worden gelegd met art. 2.15 van de Wabo om een vergunning te kunnen weigeren “indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet”.  (in het model erfgoedverordening VNG januari 2010 is dit artikel 13: “De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument”).

-       Het stellen van voorwaarden of voorschriften aan een vergunning. Volgens de Wabo is het niet meer mogelijk om voorwaarden of voorschriften aan de vergunning te koppelen, tenzij dit in de gemeentelijk monumentenverordening is geregeld. Om dit te kunnen regelen moet een link worden gelegd tussen de gemeentelijke monumentenverordening en artikel 2.22 van de Wabo. Dus indien de gemeente bijvoorbeeld standaard uitvoeringsvoorschriften bijvoegt dan is dit alleen mogelijk als dit in de verordening wordt aangegeven dat de gemeente dit mag doen. Dit kan bijvoorbeeld worden opgenomen in de erfgoedverordening bij het artikel over de termijnen advies en vergunningverlening bij gemeentelijke monumenten (zie verordening Zaanstad art. 10.5: “Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden betreffende de uitvoering en materiaaltoepassing”). De voorwaarden die genoemd worden in de modelverordening in artikel 10.3 gaan over voorwaarden/nadere regels die de gemeente stelt zodanig dat als daaraan wordt voldaan er geen vergunning nodig is en het niet verboden is om het monument zonder vergunning te herstellen, gebruiken, laten gebruiken, etc. (artikel 10 lid 2 a en b). Dat is dus iets anders dan voorwaarden stellen bij het verlenen van een vergunning. Dan heb je dus nog een ander artikel nodig dat verwijst naar de Wabo artikel 2.22. Suggestie hiervoor is artikel 10 lid 5 van de verordening van Zaanstad.

-       Het verlangen van bouwhistorisch onderzoek.
Ook is aan te bevelen om hier iets toe te voegen over mogelijk bouwhistorisch onderzoek, Dit kan bij het artikel over de instandhouding (art. 10 van het VNG model jan. 2010), bijvoorbeeld door het toevoegen van een artikel met de tekst:
“ Het College kan voorschrijven dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch onderzoek of een archeologisch onderzoek”.

-       Overleg met de kerken. Artikel 3.14 van de Wabo stelt dat bij kerkelijke rijksmonumenten het bevoegd gezag op de aanvraag beslist na overleg met de eigenaar. Als bij de beslissing belangen van de godsdienst of levensovertuiging in het geding zijn dient de beslissing in overeenstemming met de eigenaar te zijn. Om dit ook voor gemeentelijke monumenten te regelen dient dit in de gemeentelijke erfgoedverordening te worden opgenomen. (Zie hiervoor het artikel 10.4 van het model van de VNG: “Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid (van art. 10) , dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn”.)

De VNG heeft in januari 2010 een modelerfgoedverordening gepresenteerd waar een aantal zaken al in verwerkt zijn. Het aspect van de voorwaarden/voorschriften kunnen verbinden aan de vergunning is daar (nog) niet in geregeld. Ook is het een model. Dat houdt in dat altijd gekeken moet worden in hoeverre het aansluit bij het gemeentelijke beleid.  Als voorbeeld wordt gegeven het feit dat sommige gemeenten gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten kennen. Hierover wordt in de modellen van de VNG al enige tijd niet meer gesproken. Om die te kunnen blijven beschermen dienen dergelijke gemeenten hun artikelen uit hun huidige gemeentelijke monumentenverordening die hierover gaan weer op te nemen in de nieuwe gemeentelijke monumentenverordening.
Een gemeentelijke monumentenverordening blijft dus maatwerk.

Voorbeelden:
-       Concept gemeentelijke monumentenverordening Utrecht
-       Concept gemeentelijke monumentenverordeing Zaanstad    

 

Aandachtspunten ten aanzien van de Wabo en het gemeentelijk monumentenbeleid


-       Legesverordening. Het is verstandig om de gemeentelijke legesverordening onder de loep te nemen ten aanzien van het beleid voor gemeentelijke monumenten. De gemeentelijke monumenten worden onder de Wabo gelijk geschakeld met de andere objecten. Dus als bijvoorbeeld nu gekozen is om eigenaren van monumenten geen leges te laten betalen bij aanvragen om monumentenvergunningen, dan vervalt dat zo meteen.

-       Kwaliteit van de monumentencommissie. Sinds de invoering van het duale stelsel is het niet meer mogelijk een verordening op de monumentencommissie te hebben, aangezien verordeningen door de gemeenteraad moeten worden vastgesteld en de monumentencommissie adviseert aan het College. Wel is het mogelijk een reglement op de monumentencommissie te hebben. Daarin kan hetzelfde worden opgenomen als in de voormalige verordening op de monumentencommissie. Zie hiervoor de Handreiking Gemeentelijke Monumentencommissies, uitgegeven door de VNG, de Federatie Welstand en de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (RCE). klik hier voor de Handreiking gemeentelijke monumentencommissies.

-       Vaker stopzetten van de procedure. Tijdens het ROMA-overleg is de vraag aan de orde gesteld of  je de procedure (van acht weken voor een gemeentelijk monument) vaker mag stopzetten om aanvullende stukken te kunnen vragen bijvoorbeeld als de monumentencommissie om meer gegevens vraagt om het plan goed te kunnen beoordelen.Deze vraag is voorgelegd aan Bert Rademaker van VROM. Hierop kregen wij het volgende antwoord: Artikel 4:5 en 4:15 Awb (zie ook het nieuwe 4:15 waarbij je ook in overleg met de aanvrager kunt besluiten de beslistermijn op te schorten, bijvoorbeeld bij een aanpassing van de aanvraag) reguleren het in behandeling nemen van aanvragen. Volgens ons is het uitgangspunt dat 1 maal gevraagd wordt om aanvulling van gegevens. Echter indien uit die alsnog overgelegde gegevens blijkt dat nog meer gegevens nodig zijn kun je best 2 of zelfs 3 x om aanvulling vragen met toepassing van 4:5 Awb. Het gaat dan om een voortgezette vraag mbt tot gegevens waarvan je bij de eerste aanvraag niet kon weten dat je ze nodig had. M.a.w.: je kunt niet meerdere keren met toepassing van 4:5 Awb zgn “oja-ook dan graag nog”-vragen stellen. Wel eventuele voortgezette vragen.

 

Nieuwe wetgeving per 1-1-2012


Wijziging Monumentenwet 1988 en Besluit omgevingsrecht (Bor) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) per 1-1-2012.

De Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben beide ingestemd met het wijzigen van de Monumentenwet als gevolg van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De wijzigingen gaan in per 1 januari 2012.

Wat gaat er veranderen?

Het gaat om de volgende vier wijzigingen van de Monumentenwet 1988: 

In een Algemene Maatregel van Bestuur is het nieuwe vergunningvrije regime opgenomen:
Het gaat om de volgende wijzigingen (besluit omgevingsrecht (Bor) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro)): 

Zie ook:  www.cultureelerfgoed.nl

 

Subsidieregeling herbestemming monumenten!


Vanaf 1 november 2011 stelt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2,4 miljoen euro per jaar beschikbaar voor het aanvragen van subsidie bij herbestemming van monumenten! Deze subsidie is aan te vragen voor:

- het doen van een haalbaarheidsonderzoek

- het in de tussentijd wind- en waterdicht maken van het monument

Voor meer informatie zie de website van de RCE en klik hier

 

Gemeenten kunnen optreden tegen verwaarlozen monument


Door een uitspraak van de Rechtbank Roermond van 21 december 2010 is het mogelijk voor gemeenten om op te treden tegen het bewust verwaarlozen van een beschermd monument.

Bron: www.cultureelerfgoed.nl (23 mrt 2011)

"Voor het eerst spreekt een rechtbank zich uit over de mogelijkheid om op te treden tegen bewust verwaarlozen van een beschermd monument. Deze uitspraak is vooral voor gemeentes van belang.

Niet uit monumentenregister

De Rechtbank Roermond deed op 21 december 2010 twee uitspraken over het monument Sankt Ludwig in Vlodrop. In de eerste uitspraak (LJN: BO8481, Rechtbank Roermond, AWB 10/263) was de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap partij. De Rechtbank heeft de staatssecretaris in het gelijk gesteld voor wat betreft het besluit om Sankt Ludwig niet uit het monumentenregister te schrappen.

Optreden op grond van Monumentenwet 1988

De tweede uitspraak (LJN: BO8494, Rechtbank Roermond, AWB 10/812) is echter voor gemeentes interessant, omdat een rechtbank zich hierin voor het eerst uitspreekt over de mogelijkheid om op grond van de Monumentenwet 1988 op te treden tegen het bewust verwaarlozen van een beschermd monument.

Deze uitspraak is gedaan op het beroep dat de eigenaar van Sankt Ludwig had ingesteld naar aanleiding van de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen opgelegde last onder dwangsom. Deze houdt in dat het rijksmonument Sankt Ludwig moet worden hersteld in de toestand zoals die was vóór de illegale sloop van de voorbouw op 12 september 2001. Bovendien moeten passende voorzieningen worden getroffen, ook aan overige delen van Sankt Ludwig, om te voorkomen dat schade aan het rijksmonument ontstaat als gevolg van weersinvloeden. Gedacht moet worden aan het herstellen van diverse lekkages aan daken, defecte ramen en goten en afvoeren.

De eigenaar stelde dat het opleggen van een last onder dwangsom voor het herstellen van de gebreken veel verder gaat dan op grond van artikel 11 van de Monumentenwet 1988 mogelijk is. In deze wet is immers geen onderhoudsverplichting opgenomen.

De Rechtbank oordeelt dat artikel 11, tweede lid, onder b, van de Monumentenwet 1988 wel degelijk voldoende basis biedt om handhavend op te treden tegen het passief verwaarlozen van een monument. De Rechtbank baseert dit op een passage in de Memorie van Antwoord bij de Monumentenwet 1988, waaruit blijkt dat dit ook de bedoeling van de wetgever is geweest.

Toelichting

Deze uitspraak van de Rechtbank is vooral van belang voor gemeentes omdat zij belast zijn met handhaving van gebouwde monumenten en voor hen onduidelijk was of zij op grond van de Monumentenwet 1988 konden optreden tegen bewuste verwaarlozing. Ook nu het artikel uit de Monumentenwet 1988 waar het hier om gaat inmiddels is opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 2.1) blijft deze uitspraak van belang.

Kanttekening is dat de eigenaar van Sankt Ludwig tegen de hier besproken uitspraak hoger beroep heeft aangetekend. Het is dus niet zeker of de Raad van State het uiteindelijk eens zal zijn met het oordeel van de Rechtbank."